Alle vogels in het bos gooien alle remmen los
Ze fluiten, zingen, fladderen, springen, `t is me een gehos
Bij de beken in `t plantsoen, o, wat zijn ze aan `t doen
Ze blijven fluiten, niet te stuiten door `t dennegroen
Met takjes wordt gesjouwd en nestjes van gebouwd
Het is weer mei dus roepen zij: `Wie legt `t allereerste ei?`
Alle vogels, groot en klein, `t zal `t mooie weer wel zijn
Ze fluiten, zingen, fladderen, springen, rondom de fontein
`Ah, mooi he. Hoor je die vogels? Wat gaan ze tekeer he?
Ik ken ze ook allemaal, hoor. Ja. Dat is de, de... hoe heet `ie; de
wipvogel.
Wipvogel. Daar, de, de gladiolo. En daar in de verte; dat is de
Truttemerut.`
Wat zijn ze mooi gekleurd, ze zingen om de beurt
`t Hele bos zingt `r op los, ze spelen springmat op `t mos
En je weet niet wat je ziet bij de vogels in `t riet
`t Is zelfs een zootje in `t kooitje van onze parkiet
Alle vogels in het bos gooien alle remmen los
Ze fluiten, zingen, fladderen, springen, `t is me een gehos
Bij de beken in `t plantsoen, o, wat zijn ze aan `t doen
Ze blijven fluiten, niet te stuiten door `t dennegroen
Met takjes wordt gesjouwd en nestjes van gebouwd
Het is weer mei dus roepen zij: `Wie legt `t allereerste ei?`
Ja, `t loopt weer uit de hand want de lente is in `t land
Dat worden drukke dagen voor de burgerlijke stand!